woensdag 26 juli 2017

Elegie voor jongens


Opgeschoten hangen ze in schommels en tegen schuttingen van de tuin. Ze zijn van over de dijk. Één winterjas bezitten ze en spugen vanaf de brug in het kanaal.

Bewapend en geharnast met smartphones sleuren ze aan hun schepen, de branding door naar het wachtende water er achter. Klimmen aan boord met de jekkers, onder moeders ogen, tot boven aantoe geknoopt. Hun sterke lijven roeien tegen aanrollende water, niets werpt ze meer terug, het is wachten op wind,

ze verheffen hun stem, bemoedigden. Het guldenvlies in volle bloei, tenslotte, is tussen de stammen gespannen, daar wacht het, die kust moeten ze aandoen om er vuur te stoken.

Onzichtbaar zullen ze ook worden in de schemer van een laatste herfst, maar nu nog roeren ze als jong vee, de jongens, ongedurig.

zondag 23 juli 2017

Onrust door een aangekondigd onderzoek



Je bedoelt dat je tijdens het vouwen van de soepele schone lakens van gekamd katoen, dit overweegt en het vouwen vertraagt,

en bedenkt hoe zij het zullen aanpakken, die wetenschappers, mannen en vrouwen die hun studie en straks het werk in opperste concentratie uitvoeren. Je leest de informatie, de voorschriften, de eventuele gevolgen, kortdurende. Geen hand wordt in het vuur gestoken. Met ballpoint onderstreepte, doorgehaalde woorden, accolades die alinea's aaneenhechten, de verticale krasjes in de kantlijn, Inca-taal, Oude Tekens, overwoekerde greppels.
Er is niet achter te komen of dit de kameleons zijn die binnenglippen, of dat die er sowieso al waren. Woorden zijn altijd dubbelzinnig, de veroorzakers van trammelant.
Zij zullen langs je heen praten, instrumenteel gemompel, gemurmel tussen de regels.

Je zinkt weg; lees dan tussen de regels

Dat gekoekeloer waar geen daglicht komt, is zoiets als een panchakarma. Vastgekoekte dosha's zullen je gedwee als onschadelijk gruis verlaten, splinters van een vermolmde droom, de dagelijkse vlucht.
Het is voor het bestwil, zodat een brute apathische zwelling, die gauwdief, de adem niet wegrooft.
Moegeleefd, onopvallend, verschrompeld sterven zonder de dwang honderdtien te worden, zoekend naar de lauwe luchtjes in het portaal, van het trapje vallen, de enkel verstuiken en niet willen worden gemist, door hun bijvoorbeeld.

Trek vooral makkelijk zittende kleren aan, het bovengoed kan tijdens het onderzoek worden aangehouden

Voor de spiegel met alleen het donkerrode vestje, dat frivole dingetje, – zijn ogen glommen, zijn mondhoeken krulden, – kan dat wel? Die kleur, van vroeger, zo'n zelfde op je lippen? Schaamhaar bijknippen of wegscheren, een moderne indruk willen maken, taxerende blikken weerstaan, instrumentele latexhanden voor wie het eender is, die het niets uitmaakt, ontmanteld.

Kleren kunt U daar achterlaten en die handdoek meenemen

Nonchalant sussende woorden over je bescheiden ijdelheid en dat je gezonder kunt gaan leven, stekende zalf op die plekken smeren, volhouden, geen lange mouwen dragen, buitenlucht op de huid, wat zon kan geen kwaad, neem dat op de koop toe, volhouden, er is altijd wel iemand die van je houdt.

Er komt ruis, een verwarrende openbaring: hoopgevende, levensreddende, dat van die pleisters en ruwe plekken, tijdrekkend, liefdevol uit de schaduw van de jammerlijk gestorven broers te stappen. Niet op de lauweren hebben gerust, geen tijd voor wat zou worden afgemaakt, de zuigers in de kolommen laten zakken, onderwijl hun geschiedenis herkauwend. Nee, jongens die graag het dialect spraken, vis aten, wittebrood met makreel, die voor dag en dauw naar de markt gingen om de haring.
Vis die in vreemde landen wordt gegeten was hier niet te vinden, hun namen worden anders uitgesproken en de talenkennis van de jongens schraal.
Gewetensvol hebben zij alles achtergelaten, liggend in de aarde, hun aanvaarding is bij de koffie gememoreerd.

De herinnering, bitterzoet

Tijdens je reis, naar het vreemde station in een verre stad, raakt je zakdoek kwijt, de grote liefdes uit het zicht, – de een na de ander –, het vertrouwen, – over het hoofd gezien – , verwachtingen, de gesprekken met steeds minder en minder woorden als met vader of hij de dynamiek van zijn kleinzoon kan waarderen, het simpele leven van een chauffeur, alleen in de bank zitten, en dan... “Dit is het, wil je water?”

maandag 26 juni 2017

O ja, dat water


Het wordt wel weer eens winter, een die opvalt. Tijd om nieuwe pantoffels te kopen om niet op koude voeten verder te gaan. Sloffen zeggen zij, zonder enig misprijzen, zeg maar sloffen.
Er lag weleens ijs op de binnenhaven, grijs water waar U 's morgens op uitkijkt.

Doodgemoedereerd kraste U achter hen aan. Dat hebt U nooit lekker onder de knie gekregen, schaatsen: diep zitten, handen op de rug en vooral ontspannen. De twee oudere zussen wezen het aan: “Kijk, zo moet het...”, en gleden weg. Vaders blik vernauwde dieper bij het zien van het stille ijs. Vanaf de stoppels van de rietkraag zag U zijn diepe zit.
Kwakkelwinters zijn het nu, craquelures op grijs water. Hetzelfde grijs als daarnet, spiegelend, dagelijks terugkerend.

Geen wolkje drijft langs nu U aan pantoffels denkt. De maan - om maar eens iets te noemen - staat bleekjes ver in het laatste kwartier, een boterham met oude kaas, en het ruime plein, door de dienst met stalen borstels 'onkruid-vrij' gehouden, leeg. Niets jaagt U meer op. Niet daar, niet voor de deur, niet over de galerijen boven het hoofd, niet de wenkende lome lijven, wit vlees onder het oppervlakte van dat grijs water van de binnenhaven, nattigheid, onderhuids.

De kinderen hebben het bedwongen, popelend zijn ze de oever opgegaan, de Grote Stad, de velden ernaast, nesten vol hagedissen en rode bloemen, klaprozen. Bokkigheid en melodrama haspelen Uw uren niet meer dooreen. Ze zijn klaar op deze veenbult van ouderlingen. Later, ja dan, dan klimmen zij glinsterend in processie opnieuw naar boven, vol parelmoeren ideeën over de ochtenden, staand voor het raam.

O ja, dat water...

Als ze opnieuw komen, ongedurig door het trage tempo van de tocht, leggen ze de benen na het eten niet op tafel om van de fles de bodem als begin te zien gloren.

De Grote Stad, daar, is vol mensen, er is elektrisch licht, trams en bussen. In de bibliotheek duizend boeken en in de winkels eten. Ochtend- en avondschemer. Iedereen bekend met zomer- en wintertijd en met ruwheid die de muren rond de citadel rechtvaardigen.

zondag 4 juni 2017

Ebenist


In de kamer met kleine ramen op het zuiden zit U aan het gepolitoerde meubel en opent de met kleurige houtjes ingelegde klep, schuift die kleine lade open en dicht en begint met het schrijven van brieven over verre familieleden. Dat Iberische bruin, het zal toch niet dat..?

De zoon van de ebenist komt langs zodra hem dat goeddunkt. Zijn armen als klepels langs zijn lijf, staat hij daar in de kamer en tuurt schattend naar het meubel. Van zitten heeft hij eens gezegd, met een stem zacht als van een bankbediende die geld telt, dat doe je in het cafe en dan drinken tot je bevredigd bent.

Zijn komst vandaag, in de kamer met de kleine ramen op het zuiden, is toch onverwachts. Deze man, denkt U, zet met gemak een blèrend schaap over een hek of trekt zingend als een IJslandse visser aan de riemen van een sloep, zijn maten aanmoedigend.

De herfst is al een eind op streek. Dat stelt gerust, zoals ook het zware bruine vest dat nu van de hanger kan worden gehaald. De regen spoelt door de goten en de zoon van de ebenist stampt in de hal de modder van zijn schoenen. Nu staat hij daar met het hemd tot de hals toegeknoopt. Daaronder vast en zeker die melkwitte borst.
Met een van die klepels houdt hij een plastic tas recht vooruit: “De lamp, die hoort er nog bij.” Hij is kleiner dan U dacht, zittend aan het meubel.

Hij woont bij de glooïngen verderop, waar hij zijn vrouw vond. Lachend als zijn favoriete houtrasp, voegt hij er graag aan toe.
's Nachts kijkt hij naar haar.

Nu moet U meekomen, Uw jas aandoen, het waait en er is kans op nog een bui. Gehaast doet U de brieven in de enveloppen, zegels erop en vraagt: “Staat de brievenbus daar nog,” hij knikt, “Is die al geleegd?” hij schudt de kop.

zondag 28 mei 2017

Dood dier


Zegt U maar niets, die keuken waar de afwasmachine nog uitgeruimd moet worden, die verzin ik wel. Dat briefje, die paar woorden aan de minnaar verander ik ook. Hij hoeft de machine niet te doen, wel zachtjes met de deur, rekening houden met de kleine.
Een week of wat geleden kwam hij weer aan, toch. De gang van zaken kreeg zo zijn beloop, zoals Uw zucht als hij de deur straks dichttrekt en onvindbaar wordt.
Bij navraag haalt U de schouders op.
...
Als het nieuws er is neemt U de was onderhanden, dat houdt de berichten weg. U zou een goede africhter van dieren zijn; hangende vogels die uit de hand eten. In de wet staat niet toe dat zij hier hun kunsten vertonen. Met hen zou U naar een ver land moeten vertrekken om daar door vakantie vierende landgenoten opgemerkt te worden, die bij terugkomst U op het vliegveld uitjouwen, de taart in het gezicht smijten.
De tegenwerping zielsveel van honden te houden is een uitvlucht, U hebt er niks mee. Nee, ook niet met het dier dat de minnaar even over de kop aaide en voor wie hij de vinger tegen de lippen legde, het commando: op de plaats rust.

Toen hij op een nacht meeliep, was dat voor het eerst. Zij wees hem de groentewinkel, de huizen van collega's en hoorde het dier dat aansloeg. Hij legde die vinger tegen haar bordeauxrode lippen.
De kleine had ze naar moeder gebracht; er was iets met een collega, iets met het werk.

In cafe's vergeet U dat twee glazen meer dan genoeg zijn, dat drank U verandert.
...
Het nieuws laat de beelden zien vanuit de helikopter, of zo'n onbemand ding, van een snelweg 's nachts. Ze hebben de weg afgesloten met wagens met zwaailichten, blauwe en oranje. Er liep een man langs. Dat kostte hem het leven. Hij liep daar wellicht om zijn dood in de schoenen van anderen te kunnen schuiven. In die van de bestuurster die wel een dreun voelde maar niet wist wat zij met zo'n groot dood dier aanmoest? Ze heeft weleens gehoord van een slager die het dan zou opkopen. Maar hoe zwaar is zo'n dood dier wel niet, dat in de kofferbak leegbloedt?Dood dier

maandag 8 mei 2017

Naar buiten



Je boeltje heb ik op hun geëigende plek gelegd. Met gepaste aandacht, elk object met beide handen wegend, hoop ik, achteraf, bij je thuiskomst. Dan ziet de kamer er uit als de winkel op zondag.
...
Regelmatig kijk je op de keukenklok; zo'n goedkoop ding uit zo'n warenhuis net buiten de stadsgrens. Al zevenentwintig jaar wijst het je de tijd, die niet onderhevig is aan zwaartekracht zoals lichtgrijze sneeuwvlokken.

Uren eerder dan het efficiëntste, trok je het klaargelegde hemd aan, de laarzen met hoge schacht weg van onder de kapstok en koos de jas die bij het seizoen past: wol, driekwart lang.
Het besluit je beste hemd aan te trekken kostte geen moeite, de zes die je bezit zijn eender.

Aandacht schenken aan de tuin gaat vanmorgen niet. Het gestaag opschieten van de berenklauw, de ruw, getande bladeren aan de voet van de tere liguster, als het wetboek van strafrecht, laat je aan je voorbij gaan.
...
Het blad dat zich uit de zwarte aarde omhoog werkt jaagt ontzag aan. Ontzag als bij het horen van de stervenskreetjes van de vergiftigde muis onder de houten vloer.
Ik protesteerde met gebalde vuist om de hardvochtige houding die je hebt tegenover de dieren; honden horen thuis op het erf, in poten van onverlaten te bijten. Het is je om het natuurlijk evenwicht te doen.
...
Wachtend op de tram naar het station is het warmer dan je vermoedde; gevoelstemperatuur, het zal wat.
Je bent op weg naar een vrouw, om met haar een stoofschotel van kabeljauw te eten. Vissen die in scholen van geschat 21.000 ton het lekkerst zijn gevangen tijdens hun trek naar de Lofoten om daar te paaien.

Als zij over haar nieuwe vriend begint, die ander, neem je je voor aandachtig te luisteren naar hoe zij zijn haar heeft geknipt, zijn nek uitschoor met zijn eigen scheermes.

Dat van jou laat je hier.
...
Vanuit de trein heb je laag langs scherende velden gezien vol blauwe druifjes, rode tulpen en die vervelende kleine narcissen. Die riepen de herinnering op aan de, tot een sliert geregen gele kelken op de motorkap van de auto van de buren geknoopt.
...
Wij bezaten toen nog geen auto, slechts een paar fietsen en stadsgrenzen.
...
Verderop naast het spoor staan koeien in de wei. Als die willen kunnen ze via de kleine dam en het openstaande hek van veld en gezelschap wisselen.
Hoe een koe op dat idee moet komen is mij een raadsel. Herkauwen, zeg je, is een rondeel.
...
Met de linkerhand strijk je over het nieuwe blauw dat strak over de treinstoelen is gespannen en schrikt van de wens je naast die vrouw tegenover je te vleien en alles in haar handen te leggen. Ze slaapt met het gezicht gericht op de laatste zin.






maandag 10 april 2017

Prinses vindt een gewond zwijn


Prinses vindt een gewond zwijn, in haar garage.
Zij kleedt een gedachte koninklijk aan en maakt daar geen geheim van bij de brandweer en de opsporingsdienst.

Er wordt beslist om het levenslicht van het zwijn gezamenlijk uit te blazen. Dat grijpt het dier aan. Tegenover de instanties komt het daartegen aanvallend uit de hoek. Één houdt er een vinger aan gruzelementen en gekneusde ribben aan over, de ander joekels van blauwe plekken.

Rechtsdwang brengt het zwijn over naar het gezag, daar is het niet te bedaren en schreeuwt de hele tijd, weigert zich te laten verhoren en slaat continu met een vuist tegen de tralies.

In een bos in de buurt de garage van Prinses vind je wel vaker een zwijn, en in het magere stroompje verderop de beekprik, een zeldzame kaakloze vis.

zondag 26 maart 2017

...

Het driedelig grijs waaraan hij op afstand kon worden herkend, waarvan het vestknoopje hier ligt, de nauwelijks zichtbare schilfers niet meer en passant van zijn warme schouders worden geveegd, hangt in die kast daar, een trainingsbroek vindt de verzorging handiger.

woensdag 15 maart 2017

Er leefde eens



Er leefde eens een man die plompverloren aan een andere man dacht die op een paard reed. Hij had geen man in zijn vriendenkring of net buiten de rand ervan, die zoiets deed.

Er leefde eens een man wist niet waar hij andere man, waaraan hij plompverloren dacht te zullen gaan vinden en of die het paard op de juiste manier verzorgde, de hoeven na elke rit schoonkrabde.

Op zijn erf bouwde hij een plan om de paardrijdende man te kunnen vinden.

De vrouw van er leefde eens een man legde diens kleren in een koffer, de oude stille koffer die achter in de kast wachtte, en tot dan nergens naartoe gebracht was, tot er leefde eens een man plompverloren aan een andere man dacht die op een paard reed.

Geblinddoekt wilde de vrouw van er leefde eens een man raden waar de andere man woonde om die te waarschuwen dat haar er leefde eens een man een plan aan het bouwen was hem te vinden.

Toen zijn plan af was nam hij de oude stille koffer in de hand.

vrijdag 10 maart 2017

Nesten


In de nu nog bladerloze plataan in het grasveld voor de deur hebben de eksters vorig jaar het schijnnest opgetuigd. In een boom verderop pronkt het echte nest: de vesting.

De bouw van het schijnnest koste moeite omdat twee kraaien er zich tegenaan bemoeiden. Waar die bemoeizucht voor nodig was is niet duidelijk geworden. Het was een gedoe, de vesting verderop moest daarbij ook worden onderhouden en verdedigd tegen de zeurende krassers.

Twee houtduiven die eerst de jonge kastanje, een dag later in de zilverberk de vermoorde onschuld repeteerden en even later quasi nonchalant op de takken bij het schijnnest het verenpak op orde brachten, de lente is tenslotte in aantocht, schoven allengs dichterbij, plukte er een takje weg, legde er een takje bij; 'kijk ons eens goed bezig zijn'.

Het laat de eksters siberisch dat de duiven, vrijgesteld van het offer dat een nest bouwen vraagt, de comfortabele bundel takken als hun eigendom zijn gaan beschouwen.

zondag 26 februari 2017

Denkbeelden


Tot weinig spreken bereid zitten zij, de vrouw en de man, aan haar tafel.
Er is een verschil in denken over het drinken van koe-, geiten-, en schapenmelk en de industriële aanwezigheid van goden of slechts één. Het verschil in denken is niet zodanig dat de zwijgzaamheid daar naar verwijst; de vrouw is verdiept in een boek, de man schrijf in een schrift.

Brengen zij hun meningen te berde, over het drinken van melk en het bestaan van goden, is dat niet om hem van de slechtheid van het drinken van melk en het bestaan van vele goden of slechts één te overtuigen, noch haar te overtuigen van het tegendeel. Beide zijn gesteld op parallelle werelden en pretparken en bezichtigen de denkbeelden.

Wat betreft het drinken van melk kan het voorkomen dat de man daarvan denkt dat de vrouw gelijk zou kunnen hebben, aan de industriële aanwezigheid van vele goden of slechts één twijfelt de vrouw niet.






© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 12 februari 2017

Van de bank opgestaan




Van de bank opgestaan, waar ik lag te lezen, om daarna in het notitieboek deze aantekening te maken, naar de leeszaal in het oostelijke deel gaan, aan één van de met schotten gescheiden werkplekken bij het raam dit boek neerleggen, benevens mijn aluminiumkleurige puntenslijper, twee potloden, het gele, het blauwe met gouden biezen, en het werk te corrigeren,

om te niet verzuimen af te stappen, niet door fysiek instinct gedreven verder te fietsen, het park vol fluisterende wandelaars in, en daar kuierend langs het naar de horizon toe versmallend grindpad te genieten van deze zonnige dag,

in de ruime, lichte zaal bij het raam te zitten, waarachter trams rijden, mensen in opzichtige werkkleding, met het hoofd in de nek, het hydraulische werktuig te zien bewegen, waar een man en een vrouw de hond uitlaten, – een echtpaar dat in een grootwarenhuis langs de uitstallingen dwalend, overlegt wat afzonderlijk door hen wordt begeerd? (zij hem en hij haar?) – ,

mijn zwarte korte jas over de rugleuning van de kuipstoel te hangen, in het shirt met korte mouwen een actieve indruk te maken.

Deze jas sla ik al seizoenen lang om mijn schouders, met de herinnering dat het die jas is die een buurjongen aan mijn zoon gaf. Hij accepteerde die, maar droeg 'em niet. Bij het keer op keer aandoen, speelt dit woordloze gebaar tussen twee vrienden zich weer af voor mijn geestesoog.

Deze zin overdenkend kijk ik op van het werk en zie aan de overkant van de straat een jonge vrouw met een sigaret tussen de lippen op een bejaarde man toelopen die onmiddellijk begrijpt wat zij hem wil vragen en haar zijn aansteker aanbiedt.

Ondertussen kluift een vrouw in de koninklijk oranje truitje, twee stoelen verder, hongerig ongestoord op de nagelriemen van haar linkerhand, denk ik dat de tram een dienstregeling heeft van om het kwartier te moeten vertrekken. Dan zit ik hier al anderhalf uur, bij tijd en wijle afgeleid door schuifelachtige geluiden die uit eerbied voor duizenden boeken en de dagelijks verse kranten in de leeszaal klinken,

aan de overkant een vrouw bij haar huis aankomt, een benedenwoning. Het grote raam aan de straatzijde is tot halverwege geblindeerd, haar binnenleven beschermend tegen de blikken van de voorbijgangers. Het geluid van de sleutel in het slot laat haar man met wanhopige blik reikhalzen over het geblindeerde deel. Eindelijk. In angstige spanning heeft hij op haar verlate komst gewacht, rusteloos vanwege een ongeduldige hond. Zonder om te kijken geeft zij met de linkervoet de deur een duw.