vrijdag 20 oktober 2017

18-10-2017, 52° 56' 38'' N, 4° 56' 11'' O, 08:18 u,

zo te zien tast je het besmeurde raam af, mannen op de hydraulische lift, gewapend met een hogedrukspuit maakten , in opdracht, de betonnen rand van de borstwering schoon, dat wekte geen argwaan, alleen weerzin de ramen opnieuw schoon te moeten maken,

de ver strekkende grasvelden zijn leeg, geen kokmeeuwen, geen kauwen, wit en zwart blijven hoe je het went of keert kleuren om rekening mee te houden, net als met het grijs dat boven alles hangent, het verhuld het grenzeloze weer daarachter, reuring omdat de bron van goud is gevonden, extase, veel verder ben je niet gekomen,

de zes platanen, vol blad, staan in het veld, je telt ze elke ochtend, als je naar rechts beweegt komt de zevende vanachter de raamlijst vandaan en wordt je aandacht getrokken naar het oranjezwaailicht aan de overkant van de oude binnenhaven, waarschuwingslichten die in de ramen van het rechthoekige flatgebouw weerkaatsen, kleine figuurtjes glijden er van oost naar west,

over het klinkerpad gaat een jonge vrouw op een gele fiets richting het plein, een tweede zet haar fiets in het rek naast het gebouw aan de overkant, ze draagt een rugtas en een dikke zwarte jas, zwart is duidelijk een kleur, met daadkrachtige stappen gaat ze het gebouw binnen,

iemand anders, die van het glooiende pad, richting het klinkerpad, aankwam, besluit halverwege het glooiende pad de flauwe bocht achter de vuilnisbak af te snijden, staand op de trappers zet ze extra vaart om het gras te ontvluchten,

je ziet dat er toch kokmeeuwen zijn neergestreken in een van de ver strekkende velden, een handvol, 12 stuks tel je twijfelachtig, een enkele vliegt op om bij een ander neer te strijken, de zevende bij de achtste,

over de kade aan de overkant glijden nog meer kleine figuurtjes van oost naar west,

van boven klinkt een signaal, de was in klaar,

hierna zal je traag, besluiteloos, aarzelend, de zwarte schoenen aantrekken, de grijze wollen jas kiezen, het gedicht The Glass Essay in een kleine zwarte tas stoppen, om naar het station te lopen,
je gaat lopen om de kwetsuur aan de rug te verhelpen,

je weet nu al dat je in de andere stad, aan tafel, de handen in de schoot legt, niet of er een zucht aan je ontsnapt,

donderdag 31 augustus 2017

Houston we have a problem


Hier zal het de hele dag blijven regenen.

Op de publieke grasvelden harken een stuk of wat mannen in fel oranje waterafstotende werkpakken de achtergelaten rommel van de verdwenen zonaanbidders bijeen. Altijd zijn het die mannen. Mannen met een stok met aan het uiteinde zo'n ijzeren klauw in de ene-, en een gele plastikzak in de andere hand. Mannen die niet bukken. Mannen uit het verre oosten, het diepe zuiden en hoge noorden, hebben streetwise de capuchons opgeslagen, hun hoofden verborgen in de hoodies.

Als het legen van de vuilnisbakken en het opklauwen van blikjes is gedaan, klimmen ze in het wachtende vrachtwagentje, net als kamelen, waterbuffels of rendieren worden bestegen: met trage zorg en aandacht. Iets bestijgen, of het nou een mens, een dier of een berg is, is werk.

De man achter het stuur is daar blijven zitten, draaide het portierraam ietwat naar omlaag om de mannen toe te roepen. Steekt het topje van de wijsvinger naar buiten om een wit dingetje dat achter lijkt te zullen blijven aan te wijzen. Hij is van hier, van het westen, denkt te weten hoe de vork in de steel zit, heeft een geldig rijbewijs en kan voornamen van enkele politici opnoemen. De met mannen en vuilnis volgeladen auto rijdt het uit zicht, begrensd door de kozijnen van het brede en hoge raam naast de kleine schrijftafel.

Dan komen de passanten op, met ontsloten parapluie's, er onder het hoofd zorgelijk gebogen, het regent: Houston we have a problem.

Dan is het wachten op de sporters, de hardlopers, en de doorgaans modern geklede hondenuitlaters. Die laten zich net als de grote meeuwen, de kraaien en houtduiven niet zien, het regent.

Er wonen rondom hier geen roekeloze dwalers, zomaar rondlopers. Daarvoor zijn hypotheken en huren te hoog en de verplichting in het weekend iets leuk te doen groot. Dit is niet te rijmen met die vervlogen zonaanbidders, maar neem het maar aan.

Het regenfront hangt boven het westen. In de rij aan de kassa worden hierover opmerkingen uitgewisseld, refererend aan een verre vakantie, de tijd toen men nog kind was en aan Bangladesh. – De caissière, u kent haar wel, die smetteloze lach, kijkt in haar geldlade en vraagt: kunt u er vijftigcent bij doen dan krijgt van mij een euro terug. In de rij achter dit verzoek wordt naarstig gehoofdrekend; het klopt. –

Hier in huis, moest links en rechts een lamp aan. Hier boven deze kleine schrijftafel naast het hoge raam en daar waar twintig minuten geleden de Italiaanse percolator met water en koffie is gevuld en op het gas gezet. Min of meer gelijktijdig met het water gevulde steelpannetje voor de eieren.

Is het nu al de tijd om over de lof der schaduw te schrijven? Is het de zompig vochtige herfstgeur die door de op de haak gezette balkondeur naar binnen sijpelt die deze gedachte opwekt? Moeten er nu al voorbereidingen worden getroffen tegen de vrieskouwe ochtenden waarop het daglicht pas rond een uur of negen tegen de nacht aanschurkt? Voorbereidingen met mentale vermoeienis tot gevolg? Schoenen en jassen uit de kasten opdiepen, maanden lang dromen over een zonnige plek ver weg, ver van de wasmachine en, inderdaad, de Italiaanse percolator? Wat helpt is dat het vraagteken een lelijk ding is, en het grijs dat de hemel van rand tot rand vult niet goed is te beschrijven.

Verderop in de regen en het schone gras loopt een vrouw. Haar hond, maat 36, heeft een fel oranje waterafstotend dekje op de rug gebonden gekregen. Het kopje en de minuscule dijen zijn onbedekt.

Doordat, bij nalezen van deze tekst met linkerarm op het ruwhouten bovenblad van de kleine schrijftafel werd geleund om zo het hoofd, nodeloos te ondersteunen, is er op de punt van de linkerelleboog een ruwe plek ontstaan.

woensdag 26 juli 2017

Elegie voor jongens


Opgeschoten hangen ze in schommels en tegen schuttingen van de tuin. Ze zijn van over de dijk. Één winterjas bezitten ze en spugen vanaf de brug in het kanaal.

Bewapend en geharnast met smartphones sleuren ze aan hun schepen, de branding door naar het wachtende water er achter. Klimmen aan boord met de jekkers, onder moeders ogen, tot boven aantoe geknoopt. Hun sterke lijven roeien tegen aanrollende water, niets werpt ze meer terug, het is wachten op wind,

ze verheffen hun stem, bemoedigden. Het guldenvlies in volle bloei, tenslotte, is tussen de stammen gespannen, daar wacht het, die kust moeten ze aandoen om er vuur te stoken.

Onzichtbaar zullen ze ook worden in de schemer van een laatste herfst, maar nu nog roeren ze als jong vee, de jongens, ongedurig.

zondag 23 juli 2017

Onrust door een aangekondigd onderzoek



Je bedoelt dat je tijdens het vouwen van de soepele schone lakens van gekamd katoen, dit overweegt en het vouwen vertraagt,

en bedenkt hoe zij het zullen aanpakken, die wetenschappers, mannen en vrouwen die hun studie en straks het werk in opperste concentratie uitvoeren. Je leest de informatie, de voorschriften, de eventuele gevolgen, kortdurende. Geen hand wordt in het vuur gestoken. Met ballpoint onderstreepte, doorgehaalde woorden, accolades die alinea's aaneenhechten, de verticale krasjes in de kantlijn, Inca-taal, Oude Tekens, overwoekerde greppels.
Er is niet achter te komen of dit de kameleons zijn die binnenglippen, of dat die er sowieso al waren. Woorden zijn altijd dubbelzinnig, de veroorzakers van trammelant.
Zij zullen langs je heen praten, instrumenteel gemompel, gemurmel tussen de regels.

Je zinkt weg; lees dan tussen de regels

Dat gekoekeloer waar geen daglicht komt, is zoiets als een panchakarma. Vastgekoekte dosha's zullen je gedwee als onschadelijk gruis verlaten, splinters van een vermolmde droom, de dagelijkse vlucht.
Het is voor het bestwil, zodat een brute apathische zwelling, die gauwdief, de adem niet wegrooft.
Moegeleefd, onopvallend, verschrompeld sterven zonder de dwang honderdtien te worden, zoekend naar de lauwe luchtjes in het portaal, van het trapje vallen, de enkel verstuiken en niet willen worden gemist, door hun bijvoorbeeld.

Trek vooral makkelijk zittende kleren aan, het bovengoed kan tijdens het onderzoek worden aangehouden

Voor de spiegel met alleen het donkerrode vestje, dat frivole dingetje, – zijn ogen glommen, zijn mondhoeken krulden, – kan dat wel? Die kleur, van vroeger, zo'n zelfde op je lippen? Schaamhaar bijknippen of wegscheren, een moderne indruk willen maken, taxerende blikken weerstaan, instrumentele latexhanden voor wie het eender is, die het niets uitmaakt, ontmanteld.

Kleren kunt U daar achterlaten en die handdoek meenemen

Nonchalant sussende woorden over je bescheiden ijdelheid en dat je gezonder kunt gaan leven, stekende zalf op die plekken smeren, volhouden, geen lange mouwen dragen, buitenlucht op de huid, wat zon kan geen kwaad, neem dat op de koop toe, volhouden, er is altijd wel iemand die van je houdt.

Er komt ruis, een verwarrende openbaring: hoopgevende, levensreddende, dat van die pleisters en ruwe plekken, tijdrekkend, liefdevol uit de schaduw van de jammerlijk gestorven broers te stappen. Niet op de lauweren hebben gerust, geen tijd voor wat zou worden afgemaakt, de zuigers in de kolommen laten zakken, onderwijl hun geschiedenis herkauwend. Nee, jongens die graag het dialect spraken, vis aten, wittebrood met makreel, die voor dag en dauw naar de markt gingen om de haring.
Vis die in vreemde landen wordt gegeten was hier niet te vinden, hun namen worden anders uitgesproken en de talenkennis van de jongens schraal.
Gewetensvol hebben zij alles achtergelaten, liggend in de aarde, hun aanvaarding is bij de koffie gememoreerd.

De herinnering, bitterzoet

Tijdens je reis, naar het vreemde station in een verre stad, raakt je zakdoek kwijt, de grote liefdes uit het zicht, – de een na de ander –, het vertrouwen, – over het hoofd gezien – , verwachtingen, de gesprekken met steeds minder en minder woorden als met vader of hij de dynamiek van zijn kleinzoon kan waarderen, het simpele leven van een chauffeur, alleen in de bank zitten, en dan... “Dit is het, wil je water?”

maandag 26 juni 2017

O ja, dat water


Het wordt wel weer eens winter, een die opvalt. Tijd om nieuwe pantoffels te kopen om niet op koude voeten verder te gaan. Sloffen zeggen zij, zonder enig misprijzen, zeg maar sloffen.
Er lag weleens ijs op de binnenhaven, grijs water waar U 's morgens op uitkijkt.

Doodgemoedereerd kraste U achter hen aan. Dat hebt U nooit lekker onder de knie gekregen, schaatsen: diep zitten, handen op de rug en vooral ontspannen. De twee oudere zussen wezen het aan: “Kijk, zo moet het...”, en gleden weg. Vaders blik vernauwde dieper bij het zien van het stille ijs. Vanaf de stoppels van de rietkraag zag U zijn diepe zit.
Kwakkelwinters zijn het nu, craquelures op grijs water. Hetzelfde grijs als daarnet, spiegelend, dagelijks terugkerend.

Geen wolkje drijft langs nu U aan pantoffels denkt. De maan - om maar eens iets te noemen - staat bleekjes ver in het laatste kwartier, een boterham met oude kaas, en het ruime plein, door de dienst met stalen borstels 'onkruid-vrij' gehouden, leeg. Niets jaagt U meer op. Niet daar, niet voor de deur, niet over de galerijen boven het hoofd, niet de wenkende lome lijven, wit vlees onder het oppervlakte van dat grijs water van de binnenhaven, nattigheid, onderhuids.

De kinderen hebben het bedwongen, popelend zijn ze de oever opgegaan, de Grote Stad, de velden ernaast, nesten vol hagedissen en rode bloemen, klaprozen. Bokkigheid en melodrama haspelen Uw uren niet meer dooreen. Ze zijn klaar op deze veenbult van ouderlingen. Later, ja dan, dan klimmen zij glinsterend in processie opnieuw naar boven, vol parelmoeren ideeën over de ochtenden, staand voor het raam.

O ja, dat water...

Als ze opnieuw komen, ongedurig door het trage tempo van de tocht, leggen ze de benen na het eten niet op tafel om van de fles de bodem als begin te zien gloren.

De Grote Stad, daar, is vol mensen, er is elektrisch licht, trams en bussen. In de bibliotheek duizend boeken en in de winkels eten. Ochtend- en avondschemer. Iedereen bekend met zomer- en wintertijd en met ruwheid die de muren rond de citadel rechtvaardigen.

zondag 4 juni 2017

Ebenist


In de kamer met kleine ramen op het zuiden zit U aan het gepolitoerde meubel en opent de met kleurige houtjes ingelegde klep, schuift die kleine lade open en dicht en begint met het schrijven van brieven over verre familieleden. Dat Iberische bruin, het zal toch niet dat..?

De zoon van de ebenist komt langs zodra hem dat goeddunkt. Zijn armen als klepels langs zijn lijf, staat hij daar in de kamer en tuurt schattend naar het meubel. Van zitten heeft hij eens gezegd, met een stem zacht als van een bankbediende die geld telt, dat doe je in het cafe en dan drinken tot je bevredigd bent.

Zijn komst vandaag, in de kamer met de kleine ramen op het zuiden, is toch onverwachts. Deze man, denkt U, zet met gemak een blèrend schaap over een hek of trekt zingend als een IJslandse visser aan de riemen van een sloep, zijn maten aanmoedigend.

De herfst is al een eind op streek. Dat stelt gerust, zoals ook het zware bruine vest dat nu van de hanger kan worden gehaald. De regen spoelt door de goten en de zoon van de ebenist stampt in de hal de modder van zijn schoenen. Nu staat hij daar met het hemd tot de hals toegeknoopt. Daaronder vast en zeker die melkwitte borst.
Met een van die klepels houdt hij een plastic tas recht vooruit: “De lamp, die hoort er nog bij.” Hij is kleiner dan U dacht, zittend aan het meubel.

Hij woont bij de glooïngen verderop, waar hij zijn vrouw vond. Lachend als zijn favoriete houtrasp, voegt hij er graag aan toe.
's Nachts kijkt hij naar haar.

Nu moet U meekomen, Uw jas aandoen, het waait en er is kans op nog een bui. Gehaast doet U de brieven in de enveloppen, zegels erop en vraagt: “Staat de brievenbus daar nog,” hij knikt, “Is die al geleegd?” hij schudt de kop.

zondag 28 mei 2017

Dood dier


Zegt U maar niets, die keuken waar de afwasmachine nog uitgeruimd moet worden, die verzin ik wel. Dat briefje, die paar woorden aan de minnaar verander ik ook. Hij hoeft de machine niet te doen, wel zachtjes met de deur, rekening houden met de kleine.
Een week of wat geleden kwam hij weer aan, toch. De gang van zaken kreeg zo zijn beloop, zoals Uw zucht als hij de deur straks dichttrekt en onvindbaar wordt.
Bij navraag haalt U de schouders op.
...
Als het nieuws er is neemt U de was onderhanden, dat houdt de berichten weg. U zou een goede africhter van dieren zijn; hangende vogels die uit de hand eten. In de wet staat niet toe dat zij hier hun kunsten vertonen. Met hen zou U naar een ver land moeten vertrekken om daar door vakantie vierende landgenoten opgemerkt te worden, die bij terugkomst U op het vliegveld uitjouwen, de taart in het gezicht smijten.
De tegenwerping zielsveel van honden te houden is een uitvlucht, U hebt er niks mee. Nee, ook niet met het dier dat de minnaar even over de kop aaide en voor wie hij de vinger tegen de lippen legde, het commando: op de plaats rust.

Toen hij op een nacht meeliep, was dat voor het eerst. Zij wees hem de groentewinkel, de huizen van collega's en hoorde het dier dat aansloeg. Hij legde die vinger tegen haar bordeauxrode lippen.
De kleine had ze naar moeder gebracht; er was iets met een collega, iets met het werk.

In cafe's vergeet U dat twee glazen meer dan genoeg zijn, dat drank U verandert.
...
Het nieuws laat de beelden zien vanuit de helikopter, of zo'n onbemand ding, van een snelweg 's nachts. Ze hebben de weg afgesloten met wagens met zwaailichten, blauwe en oranje. Er liep een man langs. Dat kostte hem het leven. Hij liep daar wellicht om zijn dood in de schoenen van anderen te kunnen schuiven. In die van de bestuurster die wel een dreun voelde maar niet wist wat zij met zo'n groot dood dier aanmoest? Ze heeft weleens gehoord van een slager die het dan zou opkopen. Maar hoe zwaar is zo'n dood dier wel niet, dat in de kofferbak leegbloedt?Dood dier

maandag 8 mei 2017

Naar buiten



Je boeltje heb ik op hun geëigende plek gelegd. Met gepaste aandacht, elk object met beide handen wegend, hoop ik, achteraf, bij je thuiskomst. Dan ziet de kamer er uit als de winkel op zondag.
...
Regelmatig kijk je op de keukenklok; zo'n goedkoop ding uit zo'n warenhuis net buiten de stadsgrens. Al zevenentwintig jaar wijst het je de tijd, die niet onderhevig is aan zwaartekracht zoals lichtgrijze sneeuwvlokken.

Uren eerder dan het efficiëntste, trok je het klaargelegde hemd aan, de laarzen met hoge schacht weg van onder de kapstok en koos de jas die bij het seizoen past: wol, driekwart lang.
Het besluit je beste hemd aan te trekken kostte geen moeite, de zes die je bezit zijn eender.

Aandacht schenken aan de tuin gaat vanmorgen niet. Het gestaag opschieten van de berenklauw, de ruw, getande bladeren aan de voet van de tere liguster, als het wetboek van strafrecht, laat je aan je voorbij gaan.
...
Het blad dat zich uit de zwarte aarde omhoog werkt jaagt ontzag aan. Ontzag als bij het horen van de stervenskreetjes van de vergiftigde muis onder de houten vloer.
Ik protesteerde met gebalde vuist om de hardvochtige houding die je hebt tegenover de dieren; honden horen thuis op het erf, in poten van onverlaten te bijten. Het is je om het natuurlijk evenwicht te doen.
...
Wachtend op de tram naar het station is het warmer dan je vermoedde; gevoelstemperatuur, het zal wat.
Je bent op weg naar een vrouw, om met haar een stoofschotel van kabeljauw te eten. Vissen die in scholen van geschat 21.000 ton het lekkerst zijn gevangen tijdens hun trek naar de Lofoten om daar te paaien.

Als zij over haar nieuwe vriend begint, die ander, neem je je voor aandachtig te luisteren naar hoe zij zijn haar heeft geknipt, zijn nek uitschoor met zijn eigen scheermes.

Dat van jou laat je hier.
...
Vanuit de trein heb je laag langs scherende velden gezien vol blauwe druifjes, rode tulpen en die vervelende kleine narcissen. Die riepen de herinnering op aan de, tot een sliert geregen gele kelken op de motorkap van de auto van de buren geknoopt.
...
Wij bezaten toen nog geen auto, slechts een paar fietsen en stadsgrenzen.
...
Verderop naast het spoor staan koeien in de wei. Als die willen kunnen ze via de kleine dam en het openstaande hek van veld en gezelschap wisselen.
Hoe een koe op dat idee moet komen is mij een raadsel. Herkauwen, zeg je, is een rondeel.
...
Met de linkerhand strijk je over het nieuwe blauw dat strak over de treinstoelen is gespannen en schrikt van de wens je naast die vrouw tegenover je te vleien en alles in haar handen te leggen. Ze slaapt met het gezicht gericht op de laatste zin.






maandag 10 april 2017

Prinses vindt een gewond zwijn


Prinses vindt een gewond zwijn, in haar garage.
Zij kleedt een gedachte koninklijk aan en maakt daar geen geheim van bij de brandweer en de opsporingsdienst.

Er wordt beslist om het levenslicht van het zwijn gezamenlijk uit te blazen. Dat grijpt het dier aan. Tegenover de instanties komt het daartegen aanvallend uit de hoek. Één houdt er een vinger aan gruzelementen en gekneusde ribben aan over, de ander joekels van blauwe plekken.

Rechtsdwang brengt het zwijn over naar het gezag, daar is het niet te bedaren en schreeuwt de hele tijd, weigert zich te laten verhoren en slaat continu met een vuist tegen de tralies.

In een bos in de buurt de garage van Prinses vind je wel vaker een zwijn, en in het magere stroompje verderop de beekprik, een zeldzame kaakloze vis.

zondag 26 maart 2017

...

Het driedelig grijs waaraan hij op afstand kon worden herkend, waarvan het vestknoopje hier ligt, de nauwelijks zichtbare schilfers niet meer en passant van zijn warme schouders worden geveegd, hangt in die kast daar, een trainingsbroek vindt de verzorging handiger.

woensdag 15 maart 2017

Er leefde eens



Er leefde eens een man die plompverloren aan een andere man dacht die op een paard reed. Hij had geen man in zijn vriendenkring of net buiten de rand ervan, die zoiets deed.

Er leefde eens een man wist niet waar hij andere man, waaraan hij plompverloren dacht te zullen gaan vinden en of die het paard op de juiste manier verzorgde, de hoeven na elke rit schoonkrabde.

Op zijn erf bouwde hij een plan om de paardrijdende man te kunnen vinden.

De vrouw van er leefde eens een man legde diens kleren in een koffer, de oude stille koffer die achter in de kast wachtte, en tot dan nergens naartoe gebracht was, tot er leefde eens een man plompverloren aan een andere man dacht die op een paard reed.

Geblinddoekt wilde de vrouw van er leefde eens een man raden waar de andere man woonde om die te waarschuwen dat haar er leefde eens een man een plan aan het bouwen was hem te vinden.

Toen zijn plan af was nam hij de oude stille koffer in de hand.

vrijdag 10 maart 2017

Nesten


In de nu nog bladerloze plataan in het grasveld voor de deur hebben de eksters vorig jaar het schijnnest opgetuigd. In een boom verderop pronkt het echte nest: de vesting.

De bouw van het schijnnest koste moeite omdat twee kraaien er zich tegenaan bemoeiden. Waar die bemoeizucht voor nodig was is niet duidelijk geworden. Het was een gedoe, de vesting verderop moest daarbij ook worden onderhouden en verdedigd tegen de zeurende krassers.

Twee houtduiven die eerst de jonge kastanje, een dag later in de zilverberk de vermoorde onschuld repeteerden en even later quasi nonchalant op de takken bij het schijnnest het verenpak op orde brachten, de lente is tenslotte in aantocht, schoven allengs dichterbij, plukte er een takje weg, legde er een takje bij; 'kijk ons eens goed bezig zijn'.

Het laat de eksters siberisch dat de duiven, vrijgesteld van het offer dat een nest bouwen vraagt, de comfortabele bundel takken als hun eigendom zijn gaan beschouwen.